ALGEMEEN
Terugblik op OFI 2026 in Amsterdam
Hoe vertaal je ambities, regelgeving en nieuwe technologie naar een praktijk die daadwerkelijk werkt? Die vraag liep als een rode draad door OFI 2026. Twee dagen lang kwamen in Amsterdam de grote ontwikkelingen voor de internationale oliën- en vettensector voorbij: van de EUDR, CEPA en biobrandstoffen tot handelsstromen, raffinage, voedselveiligheid en nieuwe technologie. Steeds bleek: de ambities zijn er, maar uiteindelijk telt wat er in de praktijk gebeurt.
EUDR: nu moet het gaan werken
Die praktijk stond direct centraal tijdens de opening van OFI. Met nog enkele maanden tot de toepassing van de EUDR draaide de discussie niet langer om de vraag óf de verordening er komt, maar vooral om de uitvoering. De dry runs van de NVWA laten zien dat de verschillen tussen bedrijven nog groot zijn. Sommige operators zijn vergevorderd, terwijl anderen nog sterk vertrouwen op externe platforms en certificering, of hun risicoanalyse nog onvoldoende hebben uitgewerkt.
Traceerbaarheid blijft daarbij een van de grootste praktische knelpunten. Het verzamelen van geolocatiedata alleen is niet genoeg: een concrete lading moet ook aantoonbaar aan de juiste herkomstinformatie kunnen worden gekoppeld. Bij gemengde stromen en lange internationale ketens is dat allesbehalve eenvoudig. Ook de uitwisseling van gegevens met producerende landen is nog niet overal opgelost. Vooral rond Indonesië speelt dat exacte geolocatiedata gevoelig kunnen liggen. Daar komt bij dat kleine boeren niet altijd over de technologie beschikken om die informatie aan te leveren.
Juist daarom benadrukte Chandran Gunalan van CPOPC het belang van samenwerking tussen Europa en producerende landen bij de volgende stap. Na jaren van voorbereiding en discussie moet de aandacht volgens hem verschuiven naar samenwerking bij de daadwerkelijke uitvoering.
De volgende fase van de EUDR moet in het teken staan van samenwerking bij de implementatie.’
Chandran Gunalan – CPOPC
Mark Wong van SD Guthrie International maakte duidelijk dat ontbossing daarbij eigenlijk nog het overzichtelijke gedeelte is. Ontbossing en traceerbaarheid vormen het zichtbare topje van de ijsberg. Daaronder liggen ingewikkeldere vragen over onder meer landrechten, arbeidsrechten, milieuwetgeving en andere legaliteitsvereisten. Ruben Brunsveld van RSPO sloot daarbij aan: ontbossing is relatief eenvoudig vast te stellen, maar aantonen dat aan alle relevante lokale wetgeving is voldaan is een stuk complexer.

Chandran Gunalan van CPOPC
Certificeringssystemen zoals RSPO kunnen bedrijven daarbij
ondersteunen en mogelijk ook een rol krijgen in het risicogebaseerde toezicht van de NVWA. Een automatische ‘green lane’ wordt certificering echter niet: de verantwoordelijkheid voor due diligence blijft bij de operator. Tegelijkertijd is Europese harmonisatie cruciaal. Als toezichthouders in verschillende lidstaten andere eisen stellen, ontstaat het risico dat bedrijven gaan kiezen voor de Europese haven waar de controle het minst streng is.
Ook de positie van kleine boeren kreeg veel aandacht. Marieke Leegwater van Solidaridad wees erop dat smallholders uit Europese ketens kunnen verdwijnen wanneer mapping, documentatie en compliance te ingewikkeld of te kostbaar worden. Daarmee ontstaat een ongemakkelijke paradox: een verordening die ontbossingsvrije productie moet bevorderen, kan Europese kopers tegelijkertijd richting grotere en eenvoudiger traceerbare leveranciers sturen.
Aan het einde van de sessie bracht Brunsveld de discussie terug naar de kern. Na jaren van debat over de vormgeving van de EUDR is volgens hem vooral van belang dat bedrijven, overheden en toezichthouders nu samen zorgen dat de verordening in de praktijk gaat werken. Dat betekent ook accepteren dat er bij de invoering fouten zullen worden gemaakt en zoeken naar een risicogebaseerde aanpak.
“We moeten nu vooruitkijken en samen zorgen dat de EUDR uitvoerbaar wordt.”
Ruben Brunsveld – RSPO
Brunsveld wist die lange aanloop naar de EUDR overigens ook op een minder gebruikelijke manier samen te vatten. Met gitaar en humor bezong hij jaren van guidance, wijzigingen, technische beperkingen en uitstel. De vraag waarmee zijn lied eindigde, sloot opvallend goed aan op de discussie van die ochtend: wordt de start van de EUDR straks een moment van chaos, of uiteindelijk gewoon ‘another day’?
Meer ambitie, maar welke grondstoffen?
In de middag verschoof de aandacht naar duurzame mobiliteit. Daar dook een vergelijkbaar spanningsveld op. Europa wil het gebruik van hernieuwbare brandstoffen verder vergroten, terwijl tegelijkertijd strengere eisen worden gesteld aan de grondstoffen die daarvoor mogen worden gebruikt en aan de manier waarop hun herkomst wordt aangetoond.
Mark Bressers van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), Steven Danneel van de NVWA en Domenico Mininni van de European Biodiesel Board (EBB) belichtten die ontwikkeling ieder vanuit een andere kant. Terwijl RED III in verschillende lidstaten nog wordt geïmplementeerd, wordt al gesproken over RED IV en de periode tot 2040. Volgens Mininni ligt daarbij zelfs de vraag op tafel of de EU na 2030 een afzonderlijke doelstelling voor transport behoudt. Dat is nog geen vastgesteld beleid, maar laat wel zien hoe snel uitvoering en nieuwe beleidsvorming elkaar inmiddels opvolgen.

Mark Bressers van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
Voor de sector draait het niet alleen om de hoogte van de ambitie. Mininni wees namens EBB ook op de beperkingen en plafonds voor verschillende categorieën biobrandstoffen en op het belang van voldoende stimulansen voor grondstoffen uit Annex IX. Hogere doelstellingen hebben immers alleen effect wanneer ook voldoende duurzame grondstoffen beschikbaar zijn.
“Meer ambitie vraagt ook om een consistent beleid voor grondstoffen.”
Domenico Mininni – European Biodiesel Board (EBB)
Daar komt vertrouwen in de keten bij. Fraude met afval- en reststromen heeft de afgelopen jaren geleid tot extra aandacht voor verificatie. Europese regels uit 2022 worden alweer herzien. Mogelijke maatregelen variëren van grotere steekproeven bij groepsaudits en strengere mass-balanceregels tot zwaardere gevolgen wanneer fraude of ernstige non-conformiteit wordt vastgesteld.
Used cooking oil (UCO) laat zien hoe ingewikkeld dat in de praktijk kan worden. Een belangrijk deel van deze grondstof wordt geïmporteerd. Bedrijven moeten kunnen aantonen waar het materiaal vandaan komt en aan welke eisen het voldoet, terwijl buitenlandse leveranciers niet altijd dezelfde documentatie beschikbaar hebben. Ook het onderscheid tussen UCO met dierlijke bestanddelen en volledig plantaardige UCO blijkt in de praktijk niet eenvoudig vast te stellen.
Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat toezicht zich opstapelt. Tijdens de discussie kwam de vraag op hoe bedrijven moeten omgaan met controles door onder meer NVWA, NEa en ILT op dezelfde stromen. De boodschap vanuit de overheid was praktisch: breng concrete overlap in beeld, zodat toezichthouders controles en monstername beter op elkaar kunnen afstemmen.

Vragen uit de zaal
De discussie ging bovendien verder dan afval- en reststromen. EBB wees ook op de rol van conventionele biobrandstoffen in de Europese productie van plantaardige oliën en eiwitten. Daarnaast pleitte de organisatie voor aanpassing van de beperkingen op FAME-bijmenging in de Fuel Quality Directive, die volgens de sector verdere verduurzaming van transport kunnen belemmeren.
Daarmee kwam dezelfde vraag terug als tijdens de EUDR-sessie: hoe zorg je ervoor dat hogere ambities samengaan met voldoende grondstoffen, betrouwbare ketens én regels die in de praktijk uitvoerbaar blijven?
Van congreszaal naar borreltafel
Na een eerste dag vol regelgeving, controles en grondstoffen was het tijd om de congreszaal even achter ons te laten. Tijdens de MVO-NOFOTA-FOSFA International borrel vlak bij het congrescentrum kwamen veel van onze leden opnieuw bij elkaar, maar nu in een informelere setting.
Er werd natuurlijk verder gepraat over wat die dag op OFI voorbij was gekomen, maar minstens zo belangrijk was de gelegenheid om oude bekenden weer te spreken en nieuwe contacten te leggen. Juist omdat zoveel mensen uit de internationale oliën- en vettensector voor OFI in Amsterdam waren, was het een mooie gelegenheid om elkaar buiten het programma te ontmoeten. Een gezellige en zeer geslaagde afsluiting van de eerste dag.
Grondstoffen worden steeds strategischer
Op de tweede dag verschoof de aandacht naar de internationale markt. Karim El Afany van Fastmarkets liet zien hoe beleid, geopolitiek en weersomstandigheden steeds sterker doorwerken in de prijzen van plantaardige oliën. Grote voorraden of een goede oogst betekenen daardoor niet automatisch lage prijzen. Zo stelde El Afany dat raapzaadolie steeds sterker ‘diesel volgt, niet de oogst’: ondanks goede oogsten blijven prijzen ondersteund door de vraag vanuit HVO en andere biobrandstoffen.
Ook de logistiek bepaalt steeds vaker wat daadwerkelijk beschikbaar is. Bij zonnebloemolie kunnen grote volumes aanwezig zijn, maar exportbeperkingen en verstoringen rond de Zwarte Zee bepalen vervolgens of die olie de markt ook daadwerkelijk bereikt. De vraag is dus niet alleen hoeveel er wordt geproduceerd, maar ook of grondstoffen op het juiste moment op de juiste plaats terechtkomen.
Artem Hammerschmidt van Cefetra Analytics liet vervolgens zien hoe sterk de groeiende biofuelmarkt op die beschikbaarheid ingrijpt. Volgens zijn analyse groeit de wereldwijde vraag naar biodiesel, renewable diesel en SAF stevig door, vooral vanuit de Verenigde Staten en Indonesië. Indonesië verwerkt ondertussen steeds meer eigen palmolie tot biodiesel, waardoor minder volume beschikbaar blijft voor export. Ook afvalstromen bieden geen onbeperkte uitweg: veel van het relatief eenvoudig beschikbare UCO is al in de markt en extra volumes worden steeds duurder om te verzamelen.
“Hogere energieprijzen vergroten de vraag naar biobrandstoffen, juist op het moment dat het aanbod van oliën en vetten krapper wordt.”
Artem Hammerschmidt – Cefetra Analytics
Dat maakt handelsbeleid steeds belangrijker. Frans Claassen van MVO ging in op het handelsakkoord tussen de EU en Indonesië (CEPA). Bij de inwerking treding van CEPA schaft de EU de invoerrechten op Indonesische ruwe en verwerkte palmolie af, zonder enige voorwaarde of quota. Indonesië werkt aan de andere kant met quota voor invoerheffingsvrije export van zowel ruwe als bewerkte palmolie en palmkernel oil. Hoe die quota door de Indonesische overheid in de praktijk worden verdeeld, is op dit moment volledig onduidelijk maar wel van groot belang voor Europese raffinaderijen. Handelsliberalisering moet wederkerig zijn: als Indonesische exporteurs onbeperkte tariefvrije toegang krijgen tot de Europese markt, moet de Europese verwerkende industrie ook daadwerkelijk toegang houden tot Indonesische ruwe palmolie onder de tariefvrije quota.
Ook Fadhil Hasan van GAPKI wees op de groeiende binnenlandse vraag in Indonesië. Het Indonesische biodieselprogramma draait inmiddels niet alleen om verduurzaming, maar steeds nadrukkelijker om energiezekerheid. Wanneer de binnenlandse consumptie groeit terwijl de productie achterblijft, blijft automatisch minder palmolie beschikbaar voor export.
Voor Nederland is dat extra relevant. Kesih van den Berg van het Havenbedrijf Rotterdam liet zien hoe sterk de positie van Nederland als handels- en verwerkingshub samenhangt met internationale goederenstromen, energie-infrastructuur en investeringsvoorwaarden. Hoge energiekosten en complexe regelgeving kunnen rechtstreeks doorwerken in investeringsbeslissingen.

Kesih van den Berg van het Havenbedrijf Rotterdam
De rode draad werd daarmee duidelijk: grondstoffen worden steeds strategischer. Niet alleen productie bepaalt de beschikbaarheid, maar ook energiebeleid, biobrandstofdoelstellingen, geopolitiek, logistiek en nationale prioriteiten.
Verduurzaming begint in de fabriek
Na de handel verschoof het programma naar de fabriek. Erik Schweitzer van Bunge maakte daarbij een belangrijk onderscheid: met efficiencyverbeteringen alleen kom je er niet. Die kunnen volgens hem ongeveer 10 tot 30 procent CO₂-reductie opleveren, maar voor veel grotere reducties is een daadwerkelijke omschakeling van energiebronnen nodig.
Technisch is al veel mogelijk. Elektrificatie, warmtepompen, thermische opslag, biomassa, biogas en warmteterugwinning kunnen allemaal bijdragen. Schweitzer benadrukte bovendien het belang van flexibiliteit. Gas- en elektriciteitsprijzen bewegen sterk en soms tegengesteld. Een fabriek die tussen energiebronnen kan schakelen, kan daardoor zowel zijn footprint als zijn economische kwetsbaarheid verkleinen.
“De technologie is er.”
Erik Schweitzer – Bunge
Gabriele Bacchini van CMB maakte dat vervolgens concreet voor vacuümsystemen in raffinage. Door traditionele systemen te vervangen door onder meer 'ice condensing' kan het stoomverbruik sterk worden teruggebracht en kan volgens zijn voorbeeld de CO₂-voetafdruk van dat onderdeel met ongeveer 85 tot 90 procent dalen.

Erik Schweitzer van Bunge
Andrea Pallares van Desmet liet zien dat ook digitalisering daarbij een steeds grotere rol speelt. Machine learning kan procesdata gebruiken om energie- en stoomgebruik te voorspellen en installaties dichter bij hun optimale procescondities te laten draaien. Tegelijkertijd vervangt AI de procesexpert niet: zonder goede data en menselijke kennis weet een model niet wat er fysiek in een fabriek gebeurt.
Patrick Howes van Natural Bleach bracht de discussie vervolgens terug naar productkwaliteit. Optimalisatie van degumming en bleaching draait niet alleen om efficiëntie en kleur, maar ook om het verwijderen van ongewenste stoffen en het beheersen van omstandigheden die later in het raffinageproces invloed hebben op contaminanten. Procesoptimalisatie moet daarmee steeds meer doelen tegelijk dienen: kwaliteit, voedselveiligheid, energiegebruik én rendement.
MOAH: aanpakken bij de bron
Die combinatie van proces en voedselveiligheid kwam nadrukkelijk terug tijdens de sessie over MOSH en MOAH. Frans Verstraete van DG SANTE nam de deelnemers mee in de aankomende Europese regelgeving voor MOAH. Daarbij worden maximumgehalten geïntroduceerd, maar is ook gekozen voor een overgangsperiode voor oliën die nog verder moeten worden geraffineerd en als zodanig gelabeld. Dat erkent een belangrijk praktisch gegeven: raffinage kan MOAH-gehalten verlagen, terwijl het direct toepassen van de maximumgehalten voor ruwe olie gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid van grondstoffen.
Els Biesta-Peters en Bob Duijnhouwer van de NVWA lieten vervolgens zien hoe belangrijk uitvoerbaarheid bij handhaving is. Nederland koos eerder voor een tijdelijke aanpak waarin rekening werd gehouden met meetonzekerheid. Die ruimte betekende niet dat de sector stilzat: de MOAH-gehalten in onder meer palmolie namen juist sterk af en het aantal meldingen daalde. Daarmee werd zichtbaar dat een proportionele aanpak van toezicht en daadwerkelijke verbetering in de praktijk samen kunnen gaan.
Tegelijkertijd blijft betrouwbare analyse een uitdaging. Monstername, monstervoorbereiding en de analysemethode kunnen allemaal invloed hebben op de uitkomst. Zelfs materialen die tijdens de monstername worden gebruikt kunnen een bron van verontreiniging zijn. Goede regelgeving vraagt dus ook om analysemethoden waarop bedrijven én toezichthouders kunnen vertrouwen.

Nor Shaza Abdul Rahim van SD Guthrie
Nor Shaza Abdul Rahim van SD Guthrie liet zien waarom de aanpak bovendien niet bij de raffinaderij kan beginnen. Minerale-olieverontreiniging kan op allerlei plaatsen in de keten ontstaan: tijdens oogst, verwerking, opslag en transport, maar bijvoorbeeld ook door lekkende smeermiddelen. SD Guthrie probeert die bronnen daarom zo vroeg mogelijk te elimineren of isoleren en controleert vervolgens of maatregelen daadwerkelijk effect hebben.
“Met raffinage alleen lossen we niet alles op.”
Nor Shaza Abdul Rahim – SD Guthrie
Juist hier werd zichtbaar wat samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven kan opleveren. Regels stellen de grens, maar daadwerkelijke verbetering blijkt pas wanneer bedrijven in de keten achterhalen waar verontreiniging ontstaat en hun processen daarop aanpassen.
Innovatie wordt steeds concreter
Het laatste deel van OFI keek vooruit, maar opvallend genoeg ging het daarbij nauwelijks over verre toekomstmuziek. Veel nieuwe technologieën worden al op pilotschaal of zelfs commercieel toegepast.
Kevin Shadlock van CPM Crown presenteerde extractie met ethanol als een nieuwe route naast bestaande processen. Het bedrijf werkt daar inmiddels zes jaar aan en heeft een pilotinstallatie tot vijf ton per dag. De eerste commerciële installatie wordt in Barcelona gebouwd en moet begin 2028 operationeel zijn. Interessant is dat ethanol niet alleen een andere extractieroute biedt, maar volgens CPM Crown ook mogelijkheden creëert voor hoogwaardigere eiwitproducten.
Christian Ziemann van Bühler liet vervolgens zien dat de economische verhoudingen bij crushing verschuiven. Waar installaties traditioneel sterk rond eiwitfracties werden ontworpen, wordt de oliefractie steeds waardevoller. Tegelijkertijd groeit de vraag naar méér eiwitfracties minder hard. Daardoor komt meer nadruk te liggen op maximale olieopbrengst én op verbetering van de kwaliteit van het eiwitproduct. Nieuwe generaties walsen krijgen daarvoor steeds meer sensoren en data aan boord.
“Elke druppel olie telt.”
Christian Ziemann – Bühler
Ook de grondstof zelf kan veranderen. Jaap Peters van Progress Biotech presenteerde DHA uit algen als alternatief voor visolie. De gedachte daarachter is eenvoudig: vissen maken deze omega 3-vetzuren niet zelf, maar verzamelen ze via de voedselketen. Door algen rechtstreeks te kweken, kan die tussenstap worden overgeslagen. Daarmee ontstaat een schaalbare bron die minder afhankelijk is van seizoenen en de beschikbaarheid van vis.

Kevin Shadlock van CPM Crown
Heleen Goorissen van NoPalm Ingredients trok fermentatie nog verder door. Het bedrijf gebruikt gisten om koolstof uit agrifood-reststromen om te zetten in oliën en vetten. Verschillende reststromen en procescondities kunnen daarbij verschillende vetsamenstellingen opleveren. De ambitie is bovendien om productie dicht bij de reststroom te organiseren, in plaats van grote hoeveelheden materiaal naar één centrale fabriek te vervoeren.
Goorissen was tegelijkertijd duidelijk over de beperkingen. De technologie is inmiddels op industrieel relevante schaal getest, maar is economisch nog niet geoptimaliseerd. NoPalm verwacht op korte termijn ook niet op commodityprijs met palmolie te concurreren en richt zich daarom eerst op toepassingen met een hogere toegevoegde waarde.
Daarmee kwam tijdens het afsluitende panel nog een ander praktisch obstakel naar voren: technologie kan soms sneller ontwikkelen dan markttoelating. NoPalm wees op de lange Europese goedkeuringsprocedures als uitdaging voor financiering en commercialisering. Andere panelleden benadrukten tegelijkertijd waarom een grondige beoordeling noodzakelijk blijft voor voedselveiligheid. Ook innovatie vraagt dus om een balans tussen snelheid en zorgvuldigheid.
Van papier naar praktijk
Na twee dagen OFI bleef daarmee één boodschap hangen. De internationale oliën- en vettenketen verandert op vrijwel ieder front tegelijk. Nieuwe regelgeving stelt andere eisen aan handelsstromen, de energietransitie vergroot de concurrentie om grondstoffen, raffinaderijen moeten hun footprint verlagen en nieuwe technologie opent mogelijkheden die enkele jaren geleden nog ver weg leken.
Tegelijkertijd bleek bij vrijwel ieder onderwerp dat de oplossing niet alleen op papier kan worden gevonden. Bij de EUDR gaat het uiteindelijk om werkbare traceerbaarheid en handhaving. Bij biobrandstoffen moeten ambities aansluiten op beschikbare grondstoffen en betrouwbaar toezicht. Bij handel bepalen markttoegang en nationale prioriteiten waar grondstoffen terechtkomen. Bij MOAH moet preventie door de hele keten plaatsvinden. En bij innovatie bepalen kosten, schaal en markttoelating uiteindelijk of een veelbelovende technologie ook echt doorbreekt.
Van papieren ambities en regels naar een werkbare praktijk. Dat vraagt om samenwerking tussen bedrijven, overheden, toezichthouders, producenten en andere partijen in de keten. Precies daarvoor bood OFI 2026 opnieuw volop ruimte – zowel in de congreszaal als daarbuiten.
















