Verwonderingen van Gerrit 

Een klein insect met een groot effect

Ik heb enkele jaren bijgedragen aan de olieprocessingcursus op de palmolieplantage van Carey Island in Maleisië. Het hoogtepunt van deze cursus vond ik de uitleg door de plantagemanager over het groeien en oogsten van de palmvruchten. De oliepalm (Elaeis guineensis) is tweeslachtig; de vrouwelijke vrucht en de mannelijke bloem groeien op verschillende plekken langs de stam van dezelfde boom (zie foto’s 1 en 2). De vrouwelijke bloem groeit na bestuiving uit tot een tros met palmvruchten. De mannelijke bloem verdort na levering van het stuifmeel. In beide bloemen krioelde het van kleine zwarte insecten. Waren dit schadelijke of juist nuttige insecten?


Voor 1980 werd in Maleisië en Indonesië de bestuiving handmatig verricht door voornamelijk groepen vrouwen. Het stuifmeel werd van de mannelijke bloemen geklopt en met een kwast op de vrouwelijke bloemen overgebracht. Dit was arbeidsintensief werk wat resulteerde in hoge kosten. Het werk was gevaarlijk door het werken op hoogte en de aanwezigheid van slangen in de bomen. Ook waren de trossen klein wat resulteerde in een lage olieopbrengst. De oliepalm komt oorspronkelijk uit West-Afrika; daar was handmatige bestuiving niet nodig. Wat was hiervan de oorzaak?


Leslie Davidson (1931 - 2019) was voordat hij eind jaren zeventig werd overgeplaatst naar Sabah verantwoordelijk voor de Unilever-plantages in Kameroen en Nigeria. Hij zag daar dat bestuiving vooral plaatsvond door kleine insecten. In samenwerking met Dr. Rahman Syed (1932 - 2009) van het ’Commonwealth Institute of Biological Control’ in Londen ontdekten ze dat een snuitkever (Elaeidobius kamerunicus, zie foto 3), een effectieve palmvruchtenbestuiver was. Ze verkregen fondsen om in 1981 een hoeveelheid van deze snuitkevers via Engeland naar Sabah, Maleisië te exporteren. De bestuiving werd een groot succes en de snuitkever plantte zich snel voort. Ook bleek hij selectief alleen op oliepalmen te leven en geen gevaar op te leveren voor de overige flora en fauna. De olieopbrengst per hectare steeg met 20%, de kostenreductie in Maleisië direct na introductie was meer dan 100 miljoen dollar per jaar. Voor de vrouwen was er voldoende ander werk in de plantages en de opkomende Maleisische industrie. Dit was het begin van de sterke ontwikkeling van palmolieproductie in Maleisië en Indonesië. Davidson en Syed kregen beiden in Maleisië de eretitel ’Datuk’ (een Maleisische eretitel, vergelijkbaar met de Britse ‘Sir’).


Als gedachte-experiment heb ik mij afgevraagd hoe de olie- en vettenwereld eruit zou hebben gezien zonder de introductie van de snuitkever in Zuidoost-Azië. Palmolie is voor meer dan een kwart van de wereldbevolking een belangrijk ingrediënt van hun dagelijks voedsel. In de tropische gebieden waar de meeste van deze mensen wonen is er geen grootschalig alternatief voorhanden. Om een min of meer gelijke hoeveelheid palmolie te produceren met handmatige bestuiving is er ongeveer 20% meer land nodig wat zou leiden tot extra ontbossing van regenwoud. Ook is het twijfelachtig of er voldoende personeel beschikbaar zou zijn voor handmatige bestuiving. 


Mijn conclusie is dat de Elaeidobius Kamerunicus een essentiële bijdrage levert aan de voedselvoorziening van een belangrijk deel van de wereldbevolking. Dit nuttige insect verdient daarom volledige bescherming tegen negatieve invloeden als pesticidegebruik en de effecten van klimaatverandering.

Foto 1 De vrouwelijke vrucht en een uitgebloeide mannelijke bloem

Foto 2 Een mannelijke bloem

Foto 3 De Elaeidobius Kamerunicus of African oil palm weevil

Gerrit van Duijn, met roots in Delft en een PhD in technische wetenschappen, heeft decennialang gewerkt in de wereld van olie en vet, onder andere bij Unilever en MaasRefinery. Nu Gerrit met pensioen is, deelt hij zijn verwonderingen en ervaringen als columnist in ons magazine. De komende vijf edities lees je elke keer een nieuw verhaal uit de reeks - Verwonderingen van Gerrit.